Bewegen? Bekijk het even!

Mijn vader heeft een broertje dood aan bewegen. Als je bij wijze van spreken a-sportief intoetst op Google krijg je een afbeelding van hem te zien. Een dagelijks loopje met de hond zit er nog wel in maar als er meer fysieke activiteit gevraagd wordt, houdt hij het voor gezien. Hij vindt het gewoon niet belangrijk.

Toen hij onverhoopt in het ziekenhuis opgenomen werd, mijn eigen ziekenhuis nog wel, liep ik natuurlijk dagelijks langs. Als medelevende dochter, maar de fysiotherapeut in mij kon het toch niet laten om hem er ook fijntjes op te wijzen dat hij niet de hele tijd in dat bed moest blijven liggen.

Voor ik het in de gaten had, sjorde ik aan een vermoeide maar vooral ook mopperende man aan de antibiotica om hem van een rondje bewegen te voorzien. “Zelf ook nog even doen vanavond, hè”, zei ik met m’n liefste glimlach. “Jaja”, zei hij, maar verder dan het dagverblijf kwam hij niet. Niks te beleven hier, geen zin, ik ben ziek hoor: hij gebruikte eigenlijk alle excuses die ik ook van ‘echte’ patiënten hoor. Ze zijn ziek en willen weer beter worden. Dat doet de dokter en dat zakje vloeistof wat aan je infuuspaal hangt. Bewegen komt thuis wel weer als je beter bent, is de gedachte.

“Je vader komt in onze oefengroep!” Ik moest even slikken toen m’n collega dit tussen de bedrijven door mededeelde. Liever heb ik natuurlijk dat mijn collega-fysiotherapeuten kennismaken met een supergemotiveerde en sportieve vader in plaats van een brommende man met afhangende schouders, sloffend op z’n badslippers (inclusief sokken inderdaad), die sporten wel als laatste op z’n prioriteitenlijstje heeft staan.

Maar hij vond de oefengroep leuk! Hij was onder de mensen, zag dat in zijn ogen nog ziekere patiënten ook gewoon op het krachtapparaat zaten en voelde dat hij nog best in staat was om wat te doen. Drie keer per week wachtte hij keurig op de collega die kwam bevestigen dat hij weer werd verwacht bij de oefengroep. Hij durfde het zelfs aan om beneden in de centrale hal even bij de fontein te kijken.

Onder aanmoediging brengen we toch meer in beweging dan we denken. De zieke mens heeft blijkbaar een klein zetje nodig om te gaan bewegen maar vooral ook de ervaring om te weten wat hij of zij in die situatie nog wél kan. Het beeld van ziek zijn en in bed liggen is nog veel vanzelfsprekender dan wandelen door de ziekenhuisgangen en op een hometrainer zitten. Mijn beroepsgetekende brein stond mij even toe dat dat ook helemaal niet zo raar is. Misschien realiseer je je dit sneller als het om je eigen vader of moeder gaat.

Pap mocht bijna met ontslag toen de dokter met slecht nieuws kwam. Zijn ontstekingswaarden waren weer gestegen, hij mocht niet naar huis in het weekend. Een donkere wolk hing boven zijn hoofd, hij was boos op alles en iedereen. “Kom, ik breng je naar de oefenzaal, ze wachten op je”, zei ik voorzichtig na een snelle knuffel. “Ik ga écht niet, bekijk het maar!”, zei hij. Al vloekend en tierend liep hij door de gang. Zijn kamergenoot, die vandaag wel naar huis mocht, liep trouw en stilzwijgend mee. “Hij is wat boos” zei ik verontschuldigend tegen mijn collega terwijl ik pap naar de hometrainer loodste. Snel liep ik terug naar mijn eigen afdeling, m’n vader woest trappend achterlatend.

Na m’n dienst liep ik nog even langs z’n kamer. “Moi laiverd!” Een klein glimlachje. “Het was toch wel even goed vanmiddag. Ben de ergste frustratie wel weer kwijt”. Het was weer een stuk lichter in de kamer…​

 

Joyce Stel

 

Joyce is fysiotherapeut in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Samen met vier collega’s schrijft zij over ​ervaringen die ze opdoet in haar werk en over de manier waarop ze patiënten gedurende hun verblijf in het UMCG in beweging probeert te krijgen en houden. De blogs vallen onder de rubriek UMCG in Beweging, waarin initiatieven aan bod komen die tot doel hebben om beweging in het UMCG te stimuleren en zijn te lezen via de website van het UMCG.