Dataverzameling in het voetbal: schijn bedriegt

Dataverzameling in het voetbal: schijn bedriegt

Trainers en coaches hebben de taak om het team en individuele spelers te ontwikkelen. Geen gemakkelijke taak, omdat er aandacht moet zijn voor fysieke, technische, tactische en mentale aspecten van voetbal. Bovendien bestaat een team vaak uit meer dan 20 spelers en wordt er groepsgewijs getraind. Daardoor kan bijvoorbeeld de individuele belasting binnen eenzelfde groepstraining behoorlijk verschillen (Brink et al., 2016).
Om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van spelers wordt tegenwoordig structureel data verzameld. Een domein waar trainers in geïnteresseerd zijn is het fysieke domein (Brink et al., 2018). Voor het monitoren van de individuele trainingsbelasting van spelers zijn in de afgelopen 10 jaar geavanceerde systemen ingebed in de dagelijkse voetbalpraktijk. Deze systemen bevatten steeds vaker meetinstrumenten met een wetenschappelijke basis, al is dat voor het overgrote deel nog niet zo.

Al meer dan 20 jaar geleden ontwikkelde de Amerikaanse sportwetenschapper Prof. Carl Foster de Ervaren Mate van Inspanning (Foster, 1998). Met dit meetinstrument kan op een eenvoudige manier inzicht worden gekregen in de intensiteit van training door een getal op een schaal te selecteren. Het getal is voorzien van een specifiek label wat het intensiteitsniveau beschrijft. Dit instrument werd in Nederland met enige scepsis ontvangen. Hoe kan een speler nu zelf inschatten hoe zwaar het is? En zijn spelers wel eerlijk? Die scepsis blijkt onterecht, want in de tussentijd hebben een groot aantal studies bewijs geleverd dat de Ervaren Mate van Inspanning goede overeenkomst vertoont met meer geaccepteerde meetinstrumenten zoals hartslagmeters of activity trackers (Foster et al 2017). Daarmee is het een eenvoudig en goedkoop alternatief dat iedereen kan gebruiken.
Het inzetten van dergelijke instrumenten vergt uiteraard wel kennis van gebruikers over de achtergrond, inzet en interpretatie. Bij de ontwikkeling van meetinstrumenten wordt de validiteit en betrouwbaarheid, gedurende meerdere jaren, uitvoerig getest. Onderdeel van dat proces zijn het vaststellen van richtlijnen voor het gebruik (protocol), een vergelijking gemaakt met geaccepteerde instrumenten (validiteit), het analyseren van overeenkomst bij herhaalde metingen onder gelijke omstandigheden (betrouwbaarheid). In het geval van de Ervaren Mate van Inspanning betekent dat het selecteren van een getal met een specifieke verwoording van de intensiteit, 30 minuten na afloop van de sessie, zonder dat medespelers het zien. Als je nu in de voetbalpraktijk kijkt zie je allerlei varianten van de oorspronkelijke schaal, waarbij bijvoorbeeld een andere legenda bij het getal worden gehanteerd, kleuren worden gebruikt om de intensiteit visueel weer te geven of spelers elkaar beïnvloeden bij het doorgeven van het getal. Daarmee wordt de schijn gewekt dat er goede data verzameld wordt, maar dat valt te betwisten.
Doordat er vaker en tegen steeds lager wordende kosten data verzameld kan worden, ontstaat een nieuw risico. Leveranciers van meetsystemen bieden automatische feedback voor gebruikers. Hoewel in sommige gevallen zogenaamde ‘white papers’ beschikbaar zijn, die aangeven hoe het systeem werkt, geven leveranciers niet altijd volledig inzicht. In veel gevallen blijft het onduidelijk hoe deze data verwerkt wordt, welke berekeningen er gedaan worden en of de adviezen reproduceerbaar zijn. Hiervoor geldt hetzelfde als voor het veranderen van een oorspronkelijke methode zoals zojuist beschreven: er wordt de schijn gewekt dat er goede data verzameld wordt, maar schijn kan bedriegen.
Academische kennis bij het verzamelen en interpreteren van data is dus cruciaal. Daarbij is het belangrijk dat er heldere doelen zijn en duidelijk is waarom specifieke data verzameld wordt. Hierbij horen ook verwachtingen op basis van theorie. In het Nederlandse voetbal lijkt het takenpakket van data verzamelen bij verschillende beroepsgroepen te worden neergelegd. Dat varieert van leden van de medische staf zoals een fysiotherapeut, tot leden van de technische staf zoals (assistent)trainers. Soms wordt deze cruciale taak zelfs volledig neergelegd bij stagiaires, die als ‘data monkeys’ fungeren (Malone, 2017). Echter, als de keuze gemaakt wordt om beslissingen te sturen op basis van data en meetsystemen is het voor alle betrokkenen, van trainers en spelers tot onderzoekers en beleidsbepalers, van groot belang dat de informatie die verzameld wordt deugt. Daarbij geldt dat het beter is om géén data te verzamelen dan slechte informatie. Anders kom je bedrogen uit.

 

Literatuur

Brink MS, Kersten AW, Frencken WGP. Understanding the Mismatch Between Coaches’ and Players’ Perceptions of Exertion. Int J Sports Physiol Perform. 2016;6:1-25.

Brink MS, Kuyvenhoven JP, Toering TT, Jordet G & Frencken WGP. (2018). What do coaches want from sport science? Kinesiology, 50(Suppl 1), 150-154.

Foster C. (1998). Monitoring training in athletes with reference to overtraining syndrome. Med Sci Sports Exerc. 1998 Jul;30(7):1164-8.

Foster C, Rodriguez-Marroyo JA, de Koning JJ. Monitoring Training Loads: The Past, the Present, and the Future. Int J Sports Physiol Perform. 2017 Apr;12(Suppl 2):S22-S28

Malone JJ (2017). Sport science internships for learning: a critical view. Adv Physiol Educ, 41, 569–571.

 

Geschreven door: Michel Brink & Wouter Frencken (Football Science Groningen)

Wouter is sportwetenschapper bij FC Groningen en verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Michel is sportwetenschapper en universitair docent bij de Rijksuniversiteit Groningen/Universitair Medisch Centrum Groningen.