Middels boundary-crossing op weg naar een verenigingsbreed pedagogisch sportklimaat

In 2011 ging het landelijke actieplan ‘Naar een veiliger Sportklimaat’ van start. Doel van dit actieplan is om ongewenst gedrag in de sport tegen te gaan en gewenst gedrag te bevorderen, zodat elke sporter veilig en met plezier kan sporten. Het programma is nu enkele jaren actief en de opbrengsten worden meer en meer zichtbaar. In de VSK-monitor 2015 van het Mulier Instituut werd bijvoorbeeld geconcludeerd dat het programma heeft geleid tot meer bewustwording rondom het thema van veiligheid in de sport onder diverse stakeholders en daarbij is het aantal excessen gedaald. Tevens concluderen de onderzoekers dat de samenwerking tussen bonden en verenigingen door het programma is verbeterd. Echter wordt ook de conclusie getrokken dat er nog geen grote omslag in de sport zichtbaar is. Gesteld wordt dat dit waarschijnlijk komt doordat het VSK-aanbod goed is maar vaak gebaseerd op losse maatregelen. Het ontbreekt sportverenigingen deze losse maatregelen in te bedden in een verenigingsbreed meerjarenbeleid, zodat een cultuurverandering waarschijnlijker wordt. Hierbij lukt het veel sportverenigingen maar mondjesmaat om samen te werken met organisaties die hen kunnen helpen bij het creëren van een pedagogisch sportklimaat, terwijl juist buiten de sport interessante oplossingen liggen.

Tegenwoordig wordt binnen meerdere sectoren steeds vaker erkend dat innovatie juist plaatsvindt als verschillende expertisegebieden de degens kruisen, oftewel: Boundary crossing. Boundary crossing kan worden omschreven als het proces om op de grenzen van afzonderlijke praktijken (bijv. sport, onderwijs en welzijn) tot samenwerking te komen. Crossovers kunnen daarmee leiden tot een innovatie van kennis, concepten en culturen, perspectieven en zelfs gehele beroepen. Allereerst kan ‘schuin oversteken’ leiden tot een proces waar de identiteit van de professie min of meer opnieuw uitgevonden wordt. Hierbij ontstaan hernieuwde inzichten hoe verschillende professionele praktijken van elkaar verschillen of op de grensgebieden elkaar versterken. Ten tweede kan er reflectie optreden. Doordat men de verschillende perspectieven van de betrokken beroepsgroepen in dialoog met elkaar definieert, kijk je door de ogen van de ander naar de eigen praktijk. Bij het bewust gebruik maken van verschillende expertisegebieden  is er, in eerste instantie, sprake van wederzijdse betekenisverlening gevolgd door het verbinden van beroep specifieke kennis. Ten slotte kan Boundary Crossing leiden tot een innovatieproces waarbij door de open houding van opzichzelfstaande beroepsgroepen nieuwe hybride oplossingen ontstaan voor complexe vraagstukken.

Initiatief om bewust een cross-over tussen de sportpraktijk en de onderwijspraktijk te realiseren.

In het onderwijs vindt al vele jaren uitgebreid onderzoek en innovatie plaats rondom het creëren van een pedagogisch verantwoord klimaat. Een organisatiebrede implementatiemethode die in het onderwijs al jaren succesvol is gebleken is Positive Behavior Support (PBS). PBS is een combinatie van een aantal beleidsstrategieën en gedragstheorieën. Het doel is het creëren van een pedagogische leeromgeving waarin kinderen zich vrij en veilig kunnen ontwikkelen.

Vijf ervaringsdeskundigen, die in het onderwijs en de jeugdzorg bekend zijn geraakt met PBS hebben in de afgelopen twee jaar een PBS-traject bij een sportvereniging opgestart en denken daarmee dat (onderdelen van) deze methode ook interessant is in het ontwikkelen van een pedagogisch sportklimaat. Om beter inzicht te krijgen in de ervaringen die zijn opgedaan na aanleiding van deze eerste PBS-projecten in de sport zijn in het voorjaar van 2016 vijf interviews afgenomen. De analyse van deze interviews leidde vervolgens tot een aantal inzichten waar de respondenten in hun projecten mee te maken hebben gehad.

Lessons learned tegen de achtergrond van Boundary Crossing.

Een inzicht van de respondenten was dat de actoren die het sportklimaat van een sportvereniging bepalen volgens hen gevarieerder zijn dan men in een school aantreft. Ten eerste heb je te maken met kinderen van de tegenpartij waarmee de wedstrijd wordt gespeeld. De ouders van de kinderen die aan de kant van het veld staan is nog zo’n actor die typerend is voor jeugdsport. De gedragsverwachtingen die worden opgesteld naar aanleiding van de waarden waar de sportvereniging voor staat, zou volgens de respondenten dan ook voor meerdere actoren moeten gelden (waaronder de tegenstanders en ouders).

Een aantal PBS-ervaringsdeskundigen waren geschrokken van de professionaliteit binnen de sportvereniging. Om een organisatiebrede aanpak succesvol te maken zou een sportvereniging minimaal moeten beschikken over een degelijke organisatiekracht. Een aantal respondenten  dacht dat in de doorontwikkeling van PBS naar de sport een verenigingsscan zou kunnen helpen bij het in beeld brengen van de organisatiekracht van de vereniging. Op basis van deze eerste scan kan dan vervolgens besproken worden of er gestart kan worden met een PBS-traject. En wat er specifiek nodig is om een PBS-traject binnen een sportvereniging te laten slagen.

Het viel op dat er binnen de sport nog maar weinig ervaring is opgedaan met het bewust belonen van goed gedrag. Hoewel er al wel enige ideeën zijn hoe belonen van goed gedrag in de sport eruit zou kunnen zien, zijn de respondenten ook nog niet zover dat dit leidt tot concreet en fysiek beloningsgedrag op het sportveld. ‘Duimen omhoog’ en verbale beloning zijn uiteraard wel in ruime mate aanwezig.

Een opvallend punt betreft de samenwerking met ketenpartners (en ouders) binnen de PBS-aanpak als er sprake is van gespecialiseerde individuele interventies voor kinderen met hoog-risico gedrag. Sportverenigingen staan veel minder in contact met andere organisaties uit de jeugd(zorg)keten dan scholen. De ervaringsdeskundigen twijfelen of sportverenigingen momenteel in staat zijn om zelf een actieve rol in de vorm van een hulpvraag binnen de keten op zich te nemen. Het aanstellen van een expert (bijvoorbeeld een sportpedagoog) zou volgens hen de sportvereniging hiermee kunnen helpen.

​Deze inzichten geven een aantal aanknopingspunten voor doorontwikkeling van PBS in de sport. Inmiddels is er met de betrokken respondenten, in samenwerking met het PBS-lectoraat uit Zwolle een netwerk opgestart om komend jaar de lopende projecten in gezamenlijkheid te blijven volgen. De opdracht is om instrumenten te ontwikkelen die deze bestaande initiatieven en wellicht nieuwe initiatieven kunnen helpen in het tot stand komen van een pedagogisch verantwoord en veilig sportklimaat.

 

Harold Hofenk

Projectleider bij het instituut voor Sportstudies aan de Hanzehogeschool Groningen 

Arnold Bronkhorst 

Hogeschooldocent aan de opleiding Sportkunde van Hogeschool Windesheim en lid van het lectoraat Sportpedagogiek, in het bijzonder naar een veilig sport- en beweegklimaat.