Interpretatie van data in het voetbal: niets is wat het lijkt

In de vorige Dutch Column van Football Science Groningen stond dataverzameling centraal. Nu zoomen we in op interpretatie en advies, wat logisch volgt op data verzamelen. We illustreren dit onderaan deze column aan de hand van een typisch Footbal Science Groningen product: de Interval Shuttle Run Test.

Bij het interpreteren van voetbaldata moet met een aantal zaken rekening gehouden worden. Bijvoorbeeld de dag-tot-dag variatie, de meetfout van het instrument en de context waarin data verzameld en geïnterpreteerd wordt. Met de dag-tot-dag variatie wordt bedoeld dat mensen nooit iedere dag hetzelfde reageren. Deze variatie heeft dus nog niets te maken met beter of slechter presteren. De betekenis van de meetfout is dat een meetsysteem vrijwel nooit twee keer precies hetzelfde meet. Hoewel dat geminimaliseerd wordt door fabrikanten, moet daar wel rekening mee gehouden worden. Pas als resultaten buiten deze normale variatie vallen kan iets geïnterpreteerd worden als praktisch relevant. Tenslotte is het van belang om de context mee te nemen bij interpretatie. Als er een dag hard is getraind, kan er de volgende 2 dagen sprake zijn van vermoeidheid en spierpijn, waardoor metingen op die dagen iets anders zeggen dan na een dag vrij.

Hoewel dit misschien ingewikkeld en omslachtig klinkt, kunnen dergelijke regels eenvoudig worden ingebouwd in meetsystemen. Zo kan een codering met kleuren gebaseerd zijn op drempelwaardes boven de normale variatie en gekoppeld worden aan verschillende tijdsperiodes, van bijvoorbeeld een dag en een week. Tot slot moet ook rekening worden gehouden met individuele variatie. Wanneer voor een lange periode spelers gevolgd worden ontstaat een individueel referentie kader. Afwijkingen van bijvoorbeeld twee of drie standaarddeviaties ten opzichte van het eigen gemiddelde geeft aanleiding tot nadere analyse en gesprek. Als deze historische informatie niet beschikbaar is, bijvoorbeeld om dat een speler nieuw is aangesloten bij het team, dan rest vergelijking met de groep als eerste referentiekader.

Als positieve of negatieve veranderingen zichtbaar zijn in een dashboard, dan moet deze informatie gedeeld worden. Dit vraagt om heldere afspraken over wie deze informatie krijgt, hoe dat gecommuniceerd wordt, wanneer dat gebeurt en welke acties er volgen. Ook het evalueren van die acties zijn cruciaal voor betekenisvol gebruik van data en de interpretatie daarvan. Zo ontstaat een werkproces waarbij de interpretatie voldoet aan de juiste eisen, en het gebruik afgestemd wordt op de specifieke werksituatie. In de praktijk kan dat het volgende scenario opleveren: er volgt in eerste instantie afstemming met de coach of medische staf. Samen kan bepaald worden of afwijkingen passen bij verwachtingen. Daarbij wordt ook de speler betrokken. Zo nodig volgt een interventie en wordt bijvoorbeeld het trainingsschema aangepast. Dit wordt vervolgens na een afgesproken periode geëvalueerd.

Naast een duidelijk werkproces om de interpretatie te bespreken, is de manier waaróp dat gebeurt ook van groot belang. Grote tabellen, overzichten en meerdere pagina’s met tekst en uitleg werken eerder averechts. Spelers en trainers zijn gewend om aan magneetborden en videobeelden. Als bevindingen geïllustreerd kunnen worden middels deze hulpmiddelen, is de kans op actie groter. Het op een manier kunnen presenteren van informatie en inzichten wat past bij het afgesproken doel, is een niet te onderschatten vaardigheid in de voetbalpraktijk. Zeker als er actie ondernomen moet worden op die informatie, is de vorm van communicatie cruciaal.

Een voorbeeld:

Om inzicht te krijgen in prestatieontwikkeling van spelers, worden in het voetbal regelmatig veldtesten afgenomen. Een voorbeeld hiervan is de in Groningen ontwikkelde Interval Shuttle Run Test die het interval uithoudingsvermogen meet. Aangezien herhaaldelijk maximaal testen kan leiden tot verminderde motivatie bij spelers, kan dit zorgen voor een onderschatting van de fitheid. In de plaats daarvan kan gekozen worden voor een submaximale test. Uiteraard moet voor het bepalen van het submaximale inspanningniveau wel rekening gehouden met individuele verschillen in uithoudingsvermogen. Anders worden spelers op verschillende submaximale inspanningniveau’s (dus andere context) getest. Op basis van een maximale inspanning test kan bijvoorbeeld 70% van het aantal trajecten als uitgangspunt worden genomen, met afronding naar de eerste bovengelegen rustpauze zodat wel het blok van 30 seconden wordt uitgelopen. Zo kan worden voorkomen dat spelers na een rustperiode van 15 sec nog 1 keer naar de overkant moeten en er geen goede indicatie van de submaximale hartfrequentie ontstaat (Brink et al., 2010). Bepalen van de relatieve intensiteit van de test gebaseerd op het maximale aantal trajecten dient idealiter wel overeen te komen met een hoge submaximale hartslag aan het eind van de test, zo rond de 90% van de maximale hartfrequentie. Literatuur laat zien dat betrouwbaarheid hoger is bij een relatief hoge submaximale hartfrequentie. De dag-tot-dag variatie is dan ongeveer 5 slagen (Lamberts & Lambert 2006). Testen op een lagere intensiteit geeft te veel ruis.

Standaardisatie bij het uitvoeren van deze test is uiteraard een vereiste. Dus op dezelfde dag en tijd, en dezelfde ondergrond om zo veel mogelijk beïnvloedende factoren uit te sluiten. Dus, ook een correcte instructie en adequate kwalitatieve uitvoering van de test, zoals nauwkeurig uitmeten van de afstand tussen pionnen en het controleren op smokkelen. Wanneer deze elke vier weken wordt afgenomen kan een relatie gelegd worden tussen het trainingsprogramma en verbetering van het interval uithoudingsvermogen. Een lagere hartslag bij eenzelfde inspanning is een indicatie van toegenomen fitheid. Context is wel belangrijk. Weersomstandigheden kunnen maken dat voorzichtigheid in interpretatie noodzakelijk is. Ook laat onderzoek zien dat bij functionele overbelasting na bijvoorbeeld een trainingskamp een lagere hartslag te verwachten is. Hartslag van een submaximale test moet dus in combinatie met bijvoorbeeld de Ervaren Mate van Inspanning of vermoeidheid geïnterpreteerd worden.

Het nadeel van deze periodieke testen is dat ze maar beperkt de mogelijkheid geven om training te sturen. Vaker testen wordt door spelers en trainers als onwenselijk gezien. Een alternatief is dan het dagelijks of wekelijks verzamelen van informatie uit de training of wedstrijd zelf (Brink et al., 2018). De verhouding tussen de gelopen afstand en de hartfrequentie gemeten met sensoren geeft mogelijk ook in zicht in veranderingen van fitheid, maar context wordt dan steeds belangrijker. Hoe zag de training eruit? Wat was de opbouw van de training? Op welke moment werd getraind. Bij verminderen van standaardisatie wordt interpretatie moeilijker. Niets is dan wat het lijkt.

 

Literatuur

Brink MS, Nederhof E, Visscher C, Schmikli SL, Lemmink KAPM (2010). Monitoring load, recovery, and performance in young elite soccer players. J Strength Cond Res. 24:597–603.

Lamberts RP, Lambert MI. Day-to-day variation in heart rate at different levels of submaximal exertion: implications for monitoring training (2009). J Strength Cond Res. 23(3): 1005–1010.

Brink & Lemmink (2018). Performance analysis in elite football: all in the game? Science and Medicine in Football, 2:4, 253-254

 

Geschreven door: Wouter Frencken & Michel Brink (Football Science Groningen)

Wouter is sportwetenschapper bij FC Groningen en verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Michel is sportwetenschapper en universitair docent bij de Rijksuniversiteit Groningen/Universitair Medisch Centrum Groningen.